Kogelgraniet, een bijzondere vondst in Drenthe
25 augustus 2005
Aekinger zand, Appelscha
Woestijnen in Drenthe?
25 juli 2006
Laat alles zien

De Hondsrug

Kaart Hondsrug

De Hondsrug

Hondsruggen in het landschap

Het vriendelijk afwisselende zandlandschap van Oost- en Noord-Drenthe is in de IJstijd ontstaan. Het verschilt duidelijk van karakter met de rest van de provincie. Het reliëf wordt bepaald door een reeks NNW-ZZO gerichte zandruggen, waarvan de Hondsrug de meest oostelijke is. De ruggen zijn door smalle beekdalen van elkaar zijn gescheiden. Vrijwel nergens steken de zandruggen meer dan 5 meter boven de tussengelegen beekdalvlaktes uit. Het geheel van ruggen en beekdalen wordt het Hondsrugsysteem genoemd.

Kaart Hondsrug

De Hondsrug

Zandruggen

Landschappelijk gezien zijn de zandruggen het meest interessant. Hier vinden we de zo typische Drentse zanddorpen met hun bolle essen, heidevelden en bossen. De tussengelegen beekdalen bezitten een veel opener, hier en daar zelfs een polderachtig karakter. De moerassige grondslag vormde van oudsher een hinderpaal voor bewoning in de beekdalen.

Morfologisch is de eigenlijke Hondsrug het duidelijkst ontwikkeld. De zandrug begint bij Klazinaveen en loopt over een lengte van meer dan 70 km door tot in het noorden van de stad Groningen In het zuiden en midden is de rug met zijn ruim 20 meter boven NAP het hoogst. Daar is hij ook het breedst, namelijk 3 km. De andere zandruggen zijn minder hoog en ook veel smaller.

In noordelijke richting neemt de hoogte van de ruggen geleidelijk af. Ook worden ze steeds smaller. Op de overgang van Drenthe naar Groningen raken ze bedekt onder veen en klei.

Het sterk wisselende reliëf maakt dat het Hondsruggebied door zijn grote variatie aan landschappen bij de toeristen erg in trek is. Aan de oostkant grenst de Hondsrug aan het brede Hunzedal, dat vroeger met veen opgevuld was. De steile oosthelling is overal duidelijk waarneembaar Het mooist is dit te zien net ten oosten van Gieten bij Bonnen. Het verval hier is spectaculair. Over een afstand van amper één kilometer daalt het terrein meer dan 13 meter!

Bijzonder is dat de Hondsrug over de volle lengte door een laagte in twee aparte takken wordt verdeeld. De kruinen van de westelijke en oostelijke tak liggen ongeveer 1 km uit elkaar.

De ligging van de twee Hondsrugtakken wordt gemarkeerd door esdorpen: Weerdinge, Valthe, Exloo en Buinen liggen op de oostelijke tak evenals Zuidlaren, Noordlaren, Onnen en de Middelhorst in Haren. De westelijke tak wordt gemarkeerd door Erica, Zuidbarge, Emmen en Odoorn in het zuiden. In het noorden door Westlaren, Glimmen, Harenermolen, Haren, Helpman en Groningen.

Ontstaan

In de beginjaren van het ijstijdonderzoek werd aangenomen dat het landijs vanuit Scandinavië zich in zuidwestelijke richting over Nederland had voortbewogen. Men leidde dit af van de “gestroomlijnde” terreinvormen in Duitsland en Nederland. Het afwateringspatroon van grote delen van noord Nederland is hiervan een afspiegeling. Zandruggen en tussengelegen riviertjes in het Westerkwartier (Groningen), in Friesland en in het aangrenzende Emsland hebben allemaal een NNO-ZZW richting.
De ruggen van het Hondsrugcomplex staan hier met hun NNW-ZZO oriëntatie bijna loodrecht op.

Alle hondsruggen op het Drents plateau hebben een opvallend rechtlijnig verloop. Dit gevoegd bij de nogal afwijkende oriëntatie is aanleiding geweest voor veel speculatie over hun wijze van ontstaan. Er werd wel verondersteld dat ze een soort eindmorenes voorstelden, of gevormd waren door smeltwater. Ook is serieus gedacht aan een stuwwal. Daarnaast sloot men ook de mogelijkheid van een tektonisch oorsprong niet uit. Uit seismisch onderzoek was namelijk gebleken dat in de diepere ondergrond een actief breuksysteem aanwezig is, dat in min of meer dezelfde NNW-ZZO richting verloopt. Maar toch wordt de werking van het landijs als meest waarschijnlijke oorzaak voor het ontstaan van de Hondsrug gezien.

Stuwwallen

Stuwwallen vormen zich door de druk en de dynamiek (beweging) van grote massa’s ijs. De ondergrond wordt als het ware onder het ijs naar voren en naar de zijkanten weg geperst. De weggedrukte grondlagen worden daarbij vaak op hun kant gezet. Tegenwoordig is wel duidelijk dat het brede Hunzedal, oostelijk van de Hondsrug, een glaciaal bekken is, waar tijdens de voorlaatste ijstijd lange tijd een tongvormige massa ijs in heeft gelegen. Het ontstaan van de Hondsrug als markante heuvelrug in oost Drenthe is daarmee wel duidelijk. Het is niet zozeer een stuwwal in de traditionele zin, maar meer een gestuwde rand van het voormalige gletsjerbekken.

In Drenthe vinden we geen uitgesproken stuwwalreliëf zoals in Midden-Nederland (Overijssel en de Veluwe) wel het geval is. Het oorspronkelijke stuwwalreliëf is grotendeels aan glaciale erosie ten prooi gevallen. Toch zijn in de Hondsrug op talrijke plaatsen duidelijke voorbeelden van stuwing gevonden. Ook in de andere zandruggen is dit hier en daar het geval. Zand- en leemlagen in de ondergrond zijn hierbij soms op een zeer intensieve wijze vervormt, over elkaar heen geschoven en geplooid. Het fraaist kon dit onlangs in een tweetal bouwputten in de stad Groningen worden bestudeerd. Tot minimaal 23 meter diepte waren zand- en leemlagen vanuit een horizontale positie als door een soort reuzenhand op zijn kant gezet. Deze stuwing moet door ijswerking zijn veroorzaakt. De gestuwde lagen van het Hondsrugcomplex hellen voornamelijk in noordelijke tot noordoostelijke richting.

Naast deze duidelijke ijsstuwing is bekend dat het keileem* in de zandruggen plaatselijk een grote dikte bereikt. Vooral op het noordelijke einde van de Hondsrug en de ernaast gelegen zandrug van Tynaarlo is dit het geval. In de stad Groningen worden keileemdikten gemeten tot 16,5 meter. Normaal is 1 tot 2 meter. Dit wijst erop dat de ijsbeweging voor langere tijd stagneerde. Hierdoor hoopte zich veel gletsjer puin langs de ijsrand op.

* keileem is een mengsel van klei, zand, grind en grotere stenen dat door het gletsjerijs getransporteerd en als grondmorene is afgezet

Landijs bewegingen in de Saale ijstijd

Het is bekend dat tijdens de voorlaatste Saale-IJstijd, zon 200.000 jaar geleden, een enorme landijskap vanuit Scandinavië naar het zuiden opdrong. In de beginjaren van het ijstijdonderzoek werd er vanuit gegaan dat het ijs zich steeds in zuidwestelijke richting heeft bewogen. Dit leidde men onder meer af uit terreinvormen en het NNO-ZZW gerichte afwateringspatroon.

Onderzoek heeft uitgewezen dat in noord Nederland op zijn minst vier fasen in de Iandijsbedekking onderscheiden kunnen worden. In elk van deze fasen zijn grondmorenes achtergebleven die duidelijk van elkaar verschillen.

Fase 1

Een deel van de stuwingsverschijnselen in de zandruggen van het Hondsrugsysteem kunnen al tijdens de eerste fase ontstaan zijn toen het landijsfront Drenthe in zuidelijke tot zuidwestelijke passeerde. Maar zeker is dit allerminst. Tijdens fase 1 schoof het landijs op tot de lijn Texel-Steenwijk-Coevorden, waar het vervolgens bleef steken.

Fase 2

Aan de voet van de ijsrand hoopte zich een massa gletsjerpuin op dat bij hernieuwde aanvoer van ijs tijdens fase 2 tot een reeks stuwwallen werd opgedrukt en vervolgens overreden. Het landijs tijdens deze tweede fase bewoog meer in west-zuidwestelijk richting.

Fase 3

Bij de overgang van fase 2 naar fase 3 concentreerde het ijs zich in twee langwerpige zones, waarbij het vanuit de Noordzee in zuidoostelijke richting bewoog. De meest westelijke instroom lag tussen Wieringen en Gaasterland en bewoog richting Gelderse vallei. De tweede meer naar het oosten gelegen landijstak koos een traject over Oost-Drente, en het Hunzedal. Het gebied tussen deze twee zones, tussen Gaasterland en het Hondsruggengebied werd niet beïnvloed. Het kan zijn dat zich in dit gebied een massa “dood” ijs (niet bewegend) bevond, of dat er helemaal geen landijs aanwezig was.

Fase 4

Tussen fase drie en vier stagneerde de ijsaanvoer, waardoor de ijslob die Oost-Drente en het Hunzedal bedekte voor een belangrijk gedeelte verdween. Fase vier tenslotte wordt gekenmerkt door een reactivering van de grotendeels verdwenen ijslob. Hierbij heeft de ijsrand een tijdlang in het gebied tussen Harenermolen en de stad Groningen stil gelegen. Waardoor zich in deze strook een grote hoeveelheid keileem, zand en stenen kon verzamelen. Dit verklaart de grote dikte van de glaciale afzettingen hier. Door kleine lokale ijsbewegingen tijdens deze stilstandfase is het gletsjerpuin in de strook tussen Haren en Groningen zeer intensief gestuwd. Het ijs heeft zich daarna teruggetrokken, maar stagneerde in het noorden van de provincie opnieuw. De voormalige boezems van de Fivel en de Hunze markeren deze stilstandfase. Bedekt door dikke lagen klei zijn daar in de ondergrond een tweetal smalle tongvormige bekkens aanwezig. Zij zijn de Iaatste getuigen van de aanwezigheid van landijs in onze contreien.

Oorzaak van de drastische stroomverandering van het landijs tijdens fase drie en vier van de voorlaatste ijstijd moet waarschijnlijk in de Noordzee gezocht worden. Bij de uitbreiding van de Scandinavische ijskap kwam deze in contact met de ijskap die Schotland en een deel van Engeland bedekte. Een deel van het Scandinavische ijs was hierdoor gedwongen naar het zuidoosten af te buigen.

Reliëf in het Hondsruggebied

Het huidige reliëf van het zandruggengebied in Oost- en Noord-Drenthe is dus vooral te danken aan glaciale erosie gedurende fase 3 en 4. Het oostelijk van de Hondsrug gelegen diepe Hunzedal kan opgevat worden als een gletsjerdal. De aanwezigheid en de dynamiek van langwerpige massa’s ijs zijn niet alleen verantwoordelijk voor de contouren van ons huidige landschap, maar heeft ook de ondergrond niet onberoerd gelaten. Het merendeel van de stuwingsverschijnselen is hierdoor veroorzaakt.

Het fijnere reliëf op de Hondsrug is vooral ontstaan door processen in de laatste ijstijd. Tijdens het Pleniglaciaal (54.000 tot 14.000 jaar geleden) zijn door afvloeiend smeltwater erosiedalen ontstaan, die de Hondsrug doorgaans in dwarse richting insnijden. Vooral aan de oostkant naar het Hunzedal zijn deze zogenaamde droge dalen opvallend aanwezig. Verder zijn door zandstormen tijdens het koudste deel van het Pleniglaciaal enorme hoeveelheden zand verplaatst. Hier en daar is het tot hoge ruggen opgestoven. Dit dekzandreliëf bepaalt in feite het kleinschalige karakter van de Hondsrug.

Harry Huisman

red. Jacob Otten